Britse Herdershonden en hun Rastypische en Hormonale gedragsproblemen.


Border Collie problemen

Rastypische- en hormonale gedragsproblemen

Britse herdershonden doorgelicht


Artikel uit ‘Los Vast’ door Gerrit Post (met toestemming om het te delen)

Veel hondenrassen laten in de omgang met mensen een aantal gedragsproblemen zien, die makkelijker te begrijpen worden wanneer je je het gebruik van elk ras in z’n vroegere werkgeschiedenis herinnert. Veel gedragingen die een hond tot een goed werkende hond maakten, zijn in het dagelijkse leven van een familiehond vervelend of moeilijk.

Veelvuldig worden deze gedragskenmerken beïnvloed door boodschapperstoffen in de hersenen, hormonen en andere interne factoren. In dit artikel gaan we in op een aantal eigenaardigheden van Britse herdershonden: de Border-, Bearded- en Schotse Collie en Australian Shepherd. De laatste is overigens een Amerikaans ras maar wel met duidelijke Britse wortels. De oorspronkelijke teksten zijn gepubliceerd in ‘Hundemagazin’, een Zwitsers blad. De vertaling door Alfred Ballast wordt hier –met zijn goedvinden- gebruikt als basis. 

Ontstaan en verschillen


De groep Britse herdershonden omvat een aantal rassen, die in hun uiterlijk en in hun oorspronkelijke activiteit zeer vergelijkbaar waren dan wel zijn. Omdat er op de Britse eilanden al zeer lange tijd geen grote roofdieren zoals beren of wolven meer zijn, waren de herders en boeren in deze gebieden niet gedwongen om honden te fokken die het vee tegen roofdieren moesten beschermen. Zij konden zich er dus op concentreren om werkhonden te creëren die in het drijven, hoeden en in voorkomend geval splitsen van de kudde behulpzaam zijn. De kuddes waren ook wel lange tijd zonder herders alleen in de weilanden onderweg. Hiervoor had men onafhankelijke honden nodig. Tegelijkertijd was het spreekwoordelijke, vaak mistig-bewolkte weer mede de oorzaak van een aantal belangrijke kenmerken van de daar werkende honden. Enerzijds moesten ze over een aanzienlijke afstand duidelijk zichtbaar zijn, en in dergelijk weer valt een gevlekte hond net wat meer op dan een eenkleurige. Anderzijds moesten ze, althans bij slecht weer, ook over grotere afstanden puur door fluiten of andere geluiden van de herder dirigeerbaar zijn. Daaruit ontstond een zeer hoge geluidsgevoeligheid. Dit is al één van de problemen die dikwijls optreden bij Britse herdershonden. Dit wordt nog verergerd door een lichte zogenaamde subklinische (zelfnivellerende) hypothyreoïdie (‘trage’ schildklier). In een recente studie aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van München is aangetoond dat bij Bearded Collies zelfs zonder dat deze een medisch opvallende hypothyreoïdie hadden, de toediening van schildklierhormoon aanzienlijk hielp om geluidsangst en overmatige gevoeligheid voor lawaai te dempen.

Het MDR1-defect


Bij veel van de Britse herdershondenrassen is sprake van een genetische afwijking, MDR1 genaamd, die uitwerkt op het cortisolsysteem en daarmee op de stressgevoeligheid. Het gaat om een genetisch defect dat in wezen de bloed-hersenbarrière beïnvloedt. Daardoor wordt de overdracht van veel stoffen uit de bloedsomloop in de hersenstofwisseling veranderd. Bekend zijn de negatieve effecten op het kunnen verdragen van geneesmiddelen. Niet alleen anti-parasitaire middelen (wormtabletten bijvoorbeeld) en narcotica, maar ook een verscheidenheid aan andere geneesmiddelen wordt door dit defect opgenomen in de hersenen, wat kan leiden tot ernstige beschadigingen en levensbedreigende aandoeningen. Het MDR1-defect is erfelijk recessief, wat wil zeggen dat een hond alleen ziek wordt wanneer beide chromosomen het defecte gen dragen. Behalve de gevoeligheid voor geneesmiddelen is echter bij homozygote MDR1 honden nog een effect van belang. De terugkoppel-lus die de concentratie van het stresshormoon cortisol in nauwe afstemming tussen hypofyse en bijnierschors regelt, is verstoord. Dit leidt tot zeer sterke schommelingen van het stresshormoon cortisol, en zelfs bij kleine belastingen tot een sterke opgewondenheid van de hond, die kan oplopen tot paniek en angstaanvallen. Hoewel het effect van het MDR1-defect tot nu toe alleen medisch vastgesteld is bij homozygote genotypen (beide ouders zijn dragers van de chromosomaal veranderde en daarmee ziekmakende genvariant), kunnen kleine schommelingen in concentratie zelfs ook bij heterozygote honden goed denkbaar zijn. Tenminste voor sommige geneesmiddelen zijn ook de heterozygoten reeds kwetsbaar. Het MDR1-defect is bij dierenartsen al lang bekend, maar de oorzaak er van niet. Ervaringsberichten van dierenartsen verhaalden er altijd al van dat sommige Collies zich ronduit in ziekten stortten en bijna hypochondrisch hun ziekten leken uit te leven. Terwijl andere veel sneller bereid zijn om behandelingen te accepteren en bij hun herstel ‘mee te helpen’. Bij de eerstgenoemde groep gaat het misschien wel om de MDR1 Collies, waar de verschillende ziekten in samenhang met een toch al overbelaste cortisolsysteem gewoon nog meer uitgesproken waren.

Persoonlijkheidskenmerken


Dat de groep van Britse herdershonden niet homogeen is in hun gedrag, maar veel verschillen heeft in persoonlijkheidskenmerken, toont een grootschalige studie.

Bedoeld is de grootschalige Budapester vergelijkende studie van de werkgroep onder leiding van professor Miklosi. Er werden 96 verschillende hondenrassen onderzocht met een vragenlijst die door bijna 10.000 hondenbezitters werd ingevuld via diverse tijdschriften en websites. Zij rekenden hun honden bepaalde kenmerken toe, en via een met deze vragen verbonden puntenverdeling lieten deze kenmerken zich terugbrengen tot een reeks persoonlijkheidsschalen. In de evaluatie werden vier persoonlijkheidsschalen beschouwd, namelijk rust en emotionele stabiliteit, trainbaarheid en openheid voor nieuwe ervaringen, sociale omgang met honden en extraversie of vrijmoedigheid.

Vier rassen (Britse) herdershonden werden mee beoordeeld, en op de verschillende persoonlijkheidsschalen onderscheidden de plaatsingen van deze rassen zich aanzienlijk. De volgende uitkomsten werden verkregen:

 

Ras

Rust en emotionele stabiliteit

Trainbaarheid

Sociale omgang honden

Extraversie

Border Collie

66

4

68

62

Bearded Collie

47

41

5

33

Australian Shepherd

68

3

45

55

Schotse Collie

58

44

26

82

 


Terwijl alle vier onderzochte rassen redelijk gelijkmatig in het middenveld of aan de onderrand daarvan te vinden zijn als het de persoonlijkheidsfactor rust betreft, zijn de verschillen zeer aanzienlijk waar het gaat om de persoonlijkheidsfactoren trainbaarheid en sociale omgang met honden. Ook de extraversie van de rassen verschilt kennelijk sterk.

De zelfbeloningsdrug dopamine


In verdere onderzoeken bleek vervolgens dat met name herdershondenrassen die een lange gemeenschappelijke geschiedenis van samenwerking met de mensen hebben, zich bij onoplosbare problemen veel sterker op de mens oriënteren, oogcontact met hem zoeken of hem door blaffen of andere gedragingen te hulp roepen. Omgekeerd laten juist herdershondenrassen zich bijzonder goed door de mens dirigeren met een vingerwijzing of een ander gebaar.

Een medewerker van de Amerikaanse hondenonderzoeker Ray Coppinger heeft al meer dan 20 jaar geleden ontdekt dat in de hersenstofwisseling van Border Collies en andere herdershonden, de concentratie van de als zelfbeloningsdrug bekend staande dopamine duidelijk verhoogd is, bijvoorbeeld in vergelijking met kuddebewakende honden. Dit betekent dat de vaak ook door hondenbezitters en -fokkers beschreven workaholic-mentaliteit van Border Collies, Australian Shepherds en aanverwante rassen een basis heeft in de neurobiologie. Een verhoogde dopaminespiegel leidt niet alleen tot een sterker zelfbeloningseffect bij opgeloste taken, maar brengt het dier ook in een vreugdevol opgewonden verwachting bij het optreden van de randvoorwaarden die de laatste keer met zo’n succes gepaard gingen. Het bekende effect dat juist Border Collies, Australian Shepherds en aanverwante rassen vaak al bij het oprijden van de parkeerplaats bij de hondenschool in opperste opwinding raken, of bijvoorbeeld nauwelijks meer af te remmen zijn in het agilityparcours. Dit laat zich dus gedeeltelijk verklaren door deze vreugdevolle verwachting (anticipatie-effect van de dopamine). In combinatie met de eveneens genoemde rastypische eigenschap van sterke oriëntatie op de mens en frequent oogcontact, ontstaat dan onder omstandigheden de beruchte Border Collie of Australian Shepherd die piepend en gillend van opwinding zijn mensen aankijkt en hen tot een nog snellere en heftiger activiteit oproept.

Stereotypieën en dwangmatig gedrag


In de domesticatiegeschiedenis van de hond werden veehoedende en –drijvende honden ‘gemaakt’ doordat bepaalde elementen van het prooivanggedrag uit het wolfse totaalgedrag (de ‘Motor patterns’ van Coppinger) werden geselecteerd en versterkt of overdreven. Vermeldenswaardig zijn hier de centrale delen van de gehele prooivangketen, namelijk fixeren, nabij sluipen en vastpakken. Om dit gedrag urenlang bij grote kudden schapen telkens weer te vertonen, mag het de hond bijna niet vermoeien. Een zogenaamd hoog volhardend vermogen (koppigheid eigenlijk) in de uitvoering van deze taken was dan ook bijzonder gewenst. Als een herdershond een grote kudde onder zijn hoede heeft, is er gewoon altijd wel weer een schaap terug te drijven, in toom te houden of anderszins te beïnvloeden. Dan kan de hond niet na het derde schaap gewoon geen zin meer hebben en het daarom opgeven.

Ook hier zijn weer neurobiologische problemen verborgen. Een hoge mate van volharding, dat tonen studies over andere diersoorten, zowel in het laboratorium als naar beren die in saaie, slechte kooien worden gehouden, gaat vaak gepaard met een bijzondere gevoeligheid voor stereotypieën en dwanghandelingen. Wie door dag en tijd al bepaalde handelingen bijna moeiteloos telkens weer herhaalt, zal er ook toe neigen om bij verveling of anderszins ontoereikende omstandigheden stereotype gedrag te ontwikkelen. Zeker van Border Collies en in mindere mate ook van Australian Shepherds is bekend dat ze neigen naar het ontwikkelen van dwangmatige handelingen. Schaduwjagen, urenlang staren naar traptreden en onbeweeglijke objecten of de tendens om als bal- en stokjunkie in een trancetoestand te raken, zijn kenmerken die veel eigenaren zullen herkennen. Een verlaagde drempel voor en dus een makkelijker oproepbaarheid van de gedragselementen fixeren, besluipen, rennen en vastpakken zijn risicofactoren voor het ontstaan van een ballenjunkie. Ook hier is weer het verhoogd volhardende vermogen een extra risicofactor, die maakt dat de handeling bijna zonder vermoeid te raken urenlang kan worden herhaald. Als eigenaren en trainers dan denken dat ze een dergelijke hond door nog meer bezigheid en activiteit van z’n overtollige energie kunnen ontdoen of zelfs te vermoeien, begint er een neerwaartse spiraal die uiteindelijk kan leiden tot een totaal ‘doorgedraaide’ verslaafde hond. En net als in de menselijke verslavingszorg geldt ook bij de dopaminezucht van een baljunkie dat alleen een consequente onthouding mogelijk is, dus het onthouden van alles wat de verslaving kan triggeren. Net zoals de afgekickte alcoholist zelfs geen likeurbonbon meer hebben kan, mag de Border Collie-baljunkie geen enkele maal meer achter een weggeworpen bal, stok, voerdummy of wat dan ook aanjakkeren. Ook de vandaag zo populaire flirt pole (een hengel met daaraan een sjorspeeltje) is letterlijk een drug voor dergelijke honden.

Wellicht heeft nog een andere aandoening, die juist bij Border Collies en Australian Shepherds optreedt, hier zijn neurobiologische wortels.

Epilepsie


Vooral bij de Border Collie komt relatief vaak genetisch veroorzaakte epilepsie voor. Na het uitsluiten van alle andere oorzaken, zoals hersentumoren, hoofdletsel, schildklier-onder-activiteit en dergelijke, blijft in de analyse van ziektegegevens van epilepsiegevoelige Border Collies een grote groep over die ook met medicijnen moeilijk te behandelen is. Bij deze honden, waarbij de aanvallen gewoonlijk al op jonge leeftijd verschijnen, is de prognose ongunstig aangezien zij vaak in korte tijd ernstige epileptische aanvallen ontwikkelen en zelfs aan een aanval kunnen sterven - of vanwege hun ernstige epilepsie geëuthanaseerd moeten worden. Familiaire clustering van dergelijke onverklaarbare epilepsiepatiënten wijst evenwel op een ingewikkelde en niet eenvoudige overerving die beslist niet de regels van Mendel volgt. Het is daarom belangrijk om deze honden en hun familieleden consequent uit te sluiten van de fokkerij. Van leeftijd, geslacht of castratie is aangetoond dat ze geen invloed hebben op deze vorm van epilepsie, hoewel epilepsie (in het algemeen) in sommige gevallen juist begint in een direct verband met de castratie. Een algemene gevoeligheid voor stress is de enige consequent door de houders van dergelijke honden beschreven gemeenschappelijke factor.

Als je bedenkt dat epilepsie bij de hond uiteraard te maken heeft met het neurotransmittersysteem van acetylcholine en bepaalde gebieden in de laterale tussenhersenen, die ook betrokken zijn bij de controle van het jachtgedrag, dan kan een nog zeer hypothetische samenhang hier evengoed worden vervaardigd. Tenminste één ding is medisch inmiddels al bewezen, namelijk dat het zonder reden jagen van schaduwen, lichtvlekken of denkbeeldige vliegen - vooral als het vaak wordt herhaald of langdurig voortgezet wordt - een milde voorloper van epilepsie vertegenwoordigt. Helaas worden dergelijke waarschuwingssignalen vaak door eigenaren en ook door veel therapeuten over het hoofd gezien. Dit behoeft dus een zeer precieze verduidelijking van oorzaken. 

Vergelijk Border Collie - Australian Shepherd


In verband met het optreden van gedragsstoornissen (stereotypieën of dwangmatige handelingen, zie boven) werden houders van Australian Shepherds en Border Collies vergeleken, als onderdeel van een proefschrift aan de Universiteit van Diergeneeskunde in Hannover. Opmerkelijk was dat veel meer eigenaren van Border Collies dan van Australian Shepherds aangaven dat ze de hond hadden gekocht als werkhond, als wedstrijdhond of voor speciale vormen van bezigheid.
Voor een aantal gedragsstoornissen (overmatige schuwheid, angstgevoeligheid, geluidsproblemen, stereotype gedrag) was het percentage van de er aan lijdende Border Collies significant hoger dan dat van de Australian Shepherds. Voor stereotype of overmatig blaffen lag het percentage bij de Australian Shepherd veel hoger dan bij de Border Collie. Beide rassen vertoonden slechts zeer geringe neiging tot agressie. Opmerkelijk was een ander resultaat van het onderzoek, namelijk dat de intensiteit van het staren als dwangmatige handeling en de intensiteit van stereotypieën in de groep van als hoeder bij de kudde gebruikte honden veel minder was dan bij familiehonden.

Hondensport als uitlaatklep had bij de Border Collie geen effect op de vorming van stereotype- en dwanghandelingen! De neiging om te knijpen (het zogenaamde heelen) was bij de werkhonden sterker ten opzichte van de familiehonden. Honden die gebruikt werden in wedstrijden vertoonden eveneens een sterkere neiging tot heeling. Welke soort van sport hoe vaak beoefend werd, had geen effect. Honden die regelmatig contact hadden met andere honden en minder alleen werden gelaten door hun eigenaren, hadden een lagere gevoeligheid voor stereotypieën. Ook was de neiging om stereotype gedrag te ontwikkelen minder bij honden die bij de fokker regelmatig sociaal contact met de menselijke familieleden hadden, en bij degenen die geen of slechts een weinig wisseling van eigenaren hadden meegemaakt. De afkomst uit een zogenaamde show- of werklijn had daarentegen geen waarneembaar effect op een van de bovengenoemde gedragsproblemen.

Show of werk?


Vooral in dit verband moet worden benadrukt dat de kwestie van de zogenaamde show- tegenover werklijnen vaak verkeerd begrepen wordt. Honden uit showlijnen zijn niet de betere familiehonden. Ze zijn ‘gewoon’ op grond van hun lagere controleerbaarheid en stuurbaarheid slechtere werkhonden. Hier is nog een ander proefschrift van Hannover van belang: de erfelijkheid van gedragskenmerken in de prestaties bij schapendrijven van Border Collies bleek ongeveer 4-5% te zijn. Ruim boven de 90% van de verschillen tussen de beste en de slechtste in een wedstrijd schapendrijven (trial) konden niet worden voorspeld door de prestaties van de ouders in soortgelijke situaties. Je kunt dus ook twee trial kampioenen met elkaar kruisen en daaruit een hond krijgen die gewoon niet weet wat hij in moeilijke situaties met een kudde schapen moet doen.

Hierbij gaat het dan niet om de grotendeels genetisch bepaalde gedragselementen, van het fixeren, nabij sluipen en aanpakken. Voor deze gedragswijzen werden zelfs al kandidaat genen geïdentificeerd. Men heeft dus een heel duidelijk idee welk gedeelte van welk chromosoom verantwoordelijk is voor de doorgave van deze rigide gedragspatronen. Dat is echter niet zo met het fenomeen van de zogenaamde ‘sheep sense’, die er voor verantwoordelijk is om op het gedrag van de schaapskudde te anticiperen en steeds met de nodige tegenmaatregelen op de juiste plaats in te kunnen grijpen om de nerveuze kudde zelfs bij slecht weer in een mistige pen te drijven. Dat is mede –volgens het hier gebruikte onderzoek- een reden om behoedzaam met ‘Hoeden als vermaak’ om te gaan. Als een werkende Border Collie –die ‘weet hoe het werkt’- te maken heeft met een paar honderd schapen, is dat een heel andere situatie dan bij een ondergestimuleerde familiehond die in het weekend op 5 of 10 schapen losgelaten wordt. Een schaap dat gehoed wordt bevindt zich in een permanente stresssituatie wanneer het door een potentieel (onervaren en hem vreemd) roofdier overmatig lang gefixeerd of steeds weer aangepakt wordt.

Contact met levend vee kan mogelijk wel in een samenhangende context een oplossing voor een aantal problemen vormen. Border Collies die werden gehouden als zuivere sport- en familiehonden en geen contact hadden met vee, toonden over het totaal bezien meer frequent hoed gedrag ten opzichte van de menselijke of hondse familieleden of ook niet-bewegende objecten, dan zij die in hun vroege jonge honden tijd contact met levend vee hadden.

De ideale familie hond?


Tenslotte zij opgemerkt dat de honden die behoren tot de gespecialiseerde rassen slechts met veel moeite te houden zijn op een manier die recht doet aan hun gedrag. Ondanks of juist vanwege hun bovengemiddelde intelligentie, zelfstandigheid en probleemoplossend vermogen zijn ze in het dagelijks leven vaak ontevreden. Hun ras-gerelateerde vermogen om zelfstandig probleemoplossingen te zoeken, brengt ze vaak op wegen die voor de mensen niet prettig of zelfs storend zijn. Het dopamine-gestuurde vermogen om zichzelf bezorgde succeservaringen zeer snel vast te leggen en met vreugdevolle verwachting weer te tonen, maakt hen kwetsbaar voor gedragsproblemen.


Hoe meer gespecialiseerd een hond is, des te minder is hij als ‘alleen familiehond’ geschikt!